x

Wat zoek je precies?

De film ‘Fitzcarraldo’ uit 1982 van regisseur Werner Herzog gaat over een Europese avonturier die een opera wil bouwen in de Peruviaanse stad Iquitos. Om zijn droom te realiseren wil de man geld eerst verdienen in de rubberhandel. Fitzcarraldo huurt een ontoegankelijke rubberkavel diep in het Amazonegebied. Het stuk grond is alleen te bereiken door een gevaarlijk stuk rivier af te snijden en de stoomboot van 320 ton over de modderige hellingen van de ene naar de andere kant van de rivier te slepen. Het lijkt een onmogelijke opgave, maar met een complex systeem van katrollen lukt het.
‘Fitzcarraldo’ was de favoriete film van Harry van den Kroonenberg. Als hoogleraar Ontwerp- en Constructieleer aan de Universiteit Twente gebruikte hij beelden uit de film voor zijn colleges. Een ideale methode om aan zijn studenten de werking van hefbomen en katrollen uit te leggen. Fitzcarraldo was een pionier. Dat kan zeker ook worden gezegd van Harry van den Kroonenberg. Hij signaleerde ontwikkelingen in de samenleving die anderen (nog) niet zagen, en speelde daar op in. Dat gold voor het grondstoffen-, energie- en milieubewust ontwerpen, waarmee hij al in 1976 begon. Dat gold voor zijn vroege focus op duurzame energie, met name zonne-energie. En dat gold in het bijzonder voor de toenadering tussen wetenschap en bedrijfsleven aan het eind van de 20e eeuw, die mede te danken is geweest aan deze grondlegger van de ondernemende universiteit. Mijn biografie over hem (‘Pionier en prof’) is verkrijgbaar vanaf vrijdag 17 mei.
Als journalist ben je vooral een makelaar in verhalen, zeg ik vaak. De wereld zit er vol mee, vol met verhalen. Je hoeft ze alleen maar te zien, op te graven en te gieten in een toegankelijke vorm. En eigenlijk doet een historicus dat ook, al werkt hij/zij iets vaker met niet-levende bronnen. Hoe dan ook: de stap om van journalist regiohistoricus van Twente te worden is eigenlijk niet zo groot. Ik bekleed die nieuwe functie vanaf 15 maart, twee dagen in de week voor de IJsselacademie (onderdeel van Historisch Centrum Overijssel). Met de herdenking van 75 jaar vrijheid in aantocht ligt voor mij een mooie taak om aansprekende oorlogsverhalen te vertellen die het verleden dichterbij brengen en verbinden met onze tijd. Bijvoorbeeld over de April/meistaking van 1943, de grootste verzetsdaad van de oorlog, die begon in Hengelo. Een daad van moed en solidariteit, met ook een dramatische afloop. De WO2cafés in Twente en de rest van Overijssel zijn een goed instrument om dat soort verhalen te vinden. Het zal in 2020 leiden tot een maand vol activiteiten, plus tv-uitzendingen en een boek. In de aanloop zal ik een aantal bijzondere verhalen alvast delen op deze plek. Big Foot 50 leeft niet meer. Hij overleed op 1 januari door een vuurwerkexplosie in Enschede, in de straat waar hij woonde. Toen ik het bericht hoorde, werd ik even stil. Ik heb hem de afgelopen jaren meerdere keren geïnterviewd, want Henk Kempers had een bijzonder levensverhaal. In de gesprekken kwam altijd die ene datum naar boven: 21 oktober 1990. Henk, zwaar verslaafd aan de heroïne (een gram per dag), werd ’s nachts in de Hengelose binnenstad aangesproken door een groepje leden van de Pinkstergemeente. Of ze met hem mochten bidden? ‘Het was alsof ik secondelijm onder mijn voeten had. Ik bleef staan.” Henk, die nog nooit in een kerk was geweest, ging op het aanbod in. Niet op straat (‘dan zouden mijn vrienden denken dat ik de weg volledig kwijt was’), maar in een auto. ‘Ik heb gehuild. Ik heb om vergeving gevraagd voor wat ik mijn familie had aangedaan, want ik had de boel thuis geterroriseerd. Het was een doorbraak. Ik kon daarna opeens niet meer vloeken, had geen behoefte aan drugs en beleefde een intense vreugde. De hemelse ME was gekomen om de angel eruit te halen.’ Het verhaal klonk te mooi om waar te zijn, maar Henk was oprecht. Hij had een nieuwe missie in zijn leven gekregen: het helpen van drugsverslaafden. Eerst in Rotterdam, later in Enschede en op Curaçao. In zijn laatste videoboodschap, op 31 december, wenste hij dat iedereen in 2019 z’n passie gaat volgen en zijn dromen vorm gaat geven. Ik hoop, voor Henk en voor iedereen, dat zijn wens uitkomt. Nee, helemaal af is zijn woning nog niet. En dat mag je best een understatement noemen. Henk Eshuis uit Wageningen is al enkele jaren bezig met zijn tiny house op wielen. Zijn uitdaging is om de kosten zo laag mogelijk te houden. Dat lukt aardig, want de bouwkosten blijven beperkt tot 1.000 euro. Henk maakt er een sport van om overal tweedehands materiaal (liefst gratis) op te snorren. Het kacheltje heeft ie voor 25 euro zelf in elkaar geknutseld, het brandhout kost hem niks. Oproepjes op Facebook leverden ramen en deuren met dubbel glas op. Nu nog werken aan de keuken en de douche. In de tussentijd maakt Henk gebruik van de voorzieningen in het Eco Village Ppauw, dat zich (in afwachting van woningbouw) heeft gevestigd op de Wageningse Berg. Een ‘dorp’ met een gemeenschappelijk gebouw dat Modderschip wordt genoemd. Er wordt samen gekookt en gegeten. Als ik er ben, staat stamppot andijvie op het menu. Een goedkope maaltijd, want de producten (net op of over de datum) komen uit de afvalcontainer van Albert Heijn. Ook dumbster diving past helemaal in de woonprincipes van Henk: weggooien is zonde. Tien jaar geleden interviewde ik acht jonge vaders voor het boek ‘Jong Ouder’. Ik hoorde aangrijpende verhalen over het prille, onverwachte vaderschap, dat de toch al woelige levens van de jongens op de kop had gezet. Een van deze jonge vaders (Marco heet hij) zocht ik deze week op voor een reportage voor de Persgroep-bladen. Ik wilde weten hoe het nu met hem is, hoe hij terugkijkt op toen en hoe zijn relatie met zijn 10-jarige zoon is. Zoals veel jonge vaders had Marco een moeilijke periode doorgemaakt, waarin de relatie met de moeder stukliep en hij zijn kind een tijdlang nauwelijks te zien kreeg. Ik was ontroerd toen hij vertelde over het ene moment dat hij nooit zal vergeten: de eerste keer dat zijn zoontje hem ‘papa’ noemde. De ultieme bevestiging van zijn vaderschap. Nog nooit was Marco zo gelukkig geweest. Ik dacht meteen terug aan mijn eigen eerste papamoment. En ik begreep zijn geluk. Henk Asbroek komt als loopjongen vaak bij de directiekantoren van Stork. Op een dag wordt hij zomaar uitgenodigd door meneer Willem. ,,Het lampje op gang brandt niet”, zegt de directeur tegen z’n 14-jarige werknemer, ,,dus je mag gewoon naar binnen hoor.” Henk wordt uitgenodigd om te gaan zitten op een van de mooie stoelen in het luxe directiekantoor. Hij verbaast zich over de dure gordijnen en schilderijen aan de muur. Jullie zijn de belangrijkste mensen binnen ons bedrijf, laat Willem Stork weten. Zonder loopjongens geen communicatie tussen al die verschillende afdelingen. De boodschap van de directeur: loopjongens zijn de smeerolie van het bedrijf. Onder de indruk van deze ontvangst vertrekt Henk weer. Hij zal deze ontmoeting nooit vergeten. Zo begint een van de verhalen in mijn boek ‘Storkiaan – een leven lang’. Wil je meer lezen over de mensen van de werkvloer die Stork groot hebben gemaakt? Haal het boek bij boekhandel Broekhuis. En vergeet ook niet naar de theatervoorstelling Stork! (t/m 22 september) te gaan. Waarom bestaat er geen kleding die een prothese laat zien in plaats van verhult? Anna Walhof vroeg het zich af en besloot een unieke modelijn te ontwerpen. Ze wil zo een statement maken. Een prothese is geen handicap maar een hightech kunstwerk dat een mens extra kracht geeft, vindt ze. Een kunstwerk dat je dus niet moet verstoppen. ‘Ik zie een bionische prothese als vorm van bovenmenselijke kracht, als een tool die je sterker maakt. Het lichaam is niet gebroken, maar juist verbeterd.’ De 15-jarige Nikki uit Rotterdam, die sinds twee jaar haar rechter onderbeen mist, is het er helemaal mee eens. Ik sprak haar tijdens een bijzondere fotoshoot op Hazemeijer Hengelo, pal naast mijn kantoor. ‘De prothese is wie ik ben, hij hoort bij mij. Daar mag ik best trots op zijn.’ Ze vindt dat Anna gave kleren heeft ontworpen. ‘Ze vestigen de aandacht op mijn prothese. Het stoere ontwerp van de kleding spreekt me ook aan. Het straalt iets uit. Kijk maar, het maakt niet uit wat mensen denken. We horen er gewoon bij.’ Ik zag hem drie jaar geleden voor het eerst in de bieb van Hengelo. Er stond een donkere bedeesde jongen op het kleine podium. Met een gitaar, een gouden keel en een naam die ik niet kon onthouden. In de zaal zaten hoogstens 30 mensen. Veel te weinig voor iemand die zo mooi kan zingen, dacht ik nog. Onlangs reisde ik speciaal voor een interview met deze jongen naar Amsterdam. Er was alle reden toe, want Jeangu Macrooy is in korte tijd een bekende Nederlander geworden. Hij treedt vaak op in DWDD, heeft met z’n band een succesvolle clubtour achter de rug, trad op bij North Sea Jazz en Lowlands en speelde mee in The Passion. ,,Het is bizar hard gegaan allemaal”, vindt de Surinaamse zanger, die een paar jaar in Twente woonde. In mei begint Jeangu aan een kort tour langs acht kerken (op 18 mei in de Grote Kerk in Enschede). Hij keert terug naar de basis: een gitaar en een stem. Net als toen in de bieb in Hengelo. Ik heb nooit iets met metalmuziek gehad, maar sinds kort luister ik er anders naar. Dat komt door mijn interview met Oldenzaler Martin van Drunen voor Tubantia. In de scene is hij een held, ook ver buiten Nederland. Martin vertelde me hoe hij met z’n band Asphyx optrad in Santiago de Chile. Een Chileense fan, die 1.000 kilometer had gereisd voor het concert van de Twentse metalband, barstte in tranen uit na een backstage knuffel met frontman Martin. Die dingen gebeuren dus. Van Drunen kan haarfijn uitleggen waarom hij al op jong leeftijd geraakt was door de metal. ‘Ik flipte als puber helemaal uit op zo’n teringlading kabaal. Ik zat vol testosteron, frustratie en agressie. Als ik een half uur op mijn kamertje had staan te headbangen, was het weer goed. Dan had ik geen behoefte meer aan vandalisme, zoals veel leeftijdsgenoten. Metal was voor mij een gezonde uitlaatklep.’ Twente heeft al die tijd een grote scene van metalheads gehad, die terecht konden in Metropool in Hengelo en Atak in Enschede. Martin van Drunen heeft wel een verklaring voor de metalliefde in deze regio. ‘In Engeland leefde metal in de jaren tachtig vooral in oude industriesteden als Leeds en Birmingham, waar de fabrieken en mijnen dichtgingen. De muziek was voor mensen een uitlaatklep tegen het establishment. In Twente zag je toen de textielindustrie in Almelo en Enschede omvallen en de metal opkomen. Dat heeft volgens mij met elkaar te maken. Amsterdam bijvoorbeeld is helemaal geen stad voor metal. Rotterdam als arbeidersstad juist wél.’ Ik was een jochie van 15. Onschuldig, naïef. Maf van voetbal. Vol bewondering voor de helden in het eerste elftal van ATC’65, mijn kluppie. Een van die helden was een jongen uit Enschede. Een spierbundel met een woeste bos krullen, die bij elke rush over het veld wapperden als de manen van een paard. Scheenbeschermers droeg hij niet. Die waren voor mietjes. Kousen op de enkels, kuiten als ballonnen, borst vooruit. Een beest van 18, die ook nog bokste en de grootste bek had van allemaal. Hij was een echte winner, maar helaas gold dat niet voor zijn teamgenoten. Degradatie leek onvermijdelijk en de frustratie groeide. Het móest een keer misgaan, daar kon je op wachten. Aanleiding was een stevige tackle die in zijn ogen onterecht werd bestraft. Briesend liep hij richting de scheidsrechter, die haastig een paar stappen terug deed. Er volgde een armbeweging die ik nooit eerder had gezien (het was 1980): de middelvinger ging omhoog. Ik hoorde een scheldwoord dat me evenmin bekend was. Iets met fuck. Pas na de wedstrijd begreep ik wat het betekende. Mijn vader kreeg er een rood hoofd van, toen hij het uitlegde. Had ik op zondagmiddag zomaar een nieuw Engels woord geleerd. De testosteronbom uit Enschede zou dat seizoen nog vaker uit z’n slof schieten. Hoogtepunt was het trainingskamp in Vasse. Daar piepte hij er op een avond tussen uit om, samen met een teammaatje, twee leuke dames op te pikken uit de kroeg. De veroveringen gingen mee naar de camping. De overige spelers lagen dubbel van het lachen, toen ze een van de caravans ritmische bewegingen hoorden maken. De trainer niet. Die sliep gewoon door. Zo zie je maar: het is nooit saai als Gertjan verschijnt. Ik wens hem veel succes bij FC Twente.